Onderzoek
Proces rondom wetenschappelijk onderzoek. Klik hier.
Proces rondom wetenschappelijke stage voor studenten. Klik hier.
Onderzoeksaanvraag studenten. Klik hier.
Kwaliteitsproject studenten verpleegkunde HAN Hieronder treft u een kwaliteitsproject van studenten verpleegkunde van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN) aan. De researchgroep Acute Zorgregio Oost (AZO) wil in samenwerking met het Instituut Verpleegkundige Studies (IVS) van de HAN en het Lectoraat Acute Intensieve Zorg (LAIZ) een leerboek gaan samenstellen voor verpleegkundigen (in opleiding) werkzaam in de acute, intensieve zorg. Hierin wordt het begrip ‘klinische blik’ geoperationaliseerd. Op dit moment is het begip ‘klinische blik’ een veel gebruikte term in de praktijk bij verpleegkundigen die respiratoir bedreigde patienten observeren zonder te weten wat dit begrip precies inhoudt. In dit kwaliteitsproject wordt een antwoord gegeven op deze vraag. Klik hier voor het kwaliteitsproject. Afstudeerprojecten HANStudenten van de HBO-v Hogeschool van Arnhem en Nijmegen werken onderzoeksvragen uit van instellingen uit de regio van Acute Zorgregio Oost. Het beantwoorden van deze onderzoeksvragen gebeurt door een samenwerking van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN), Acute Zorgregio Oost en Lectoraat Acute, intensieve Zorg van de HAN. Mocht u onderzoeksvragen voor deze studenten hebben dan kunt u contact opnemen met de heer J. Leijtens (via email of via telefoonnummer 06-18 04 90 99). Klik hier voor een overzicht van projecten. |
|
DINSDAG 8 JUNI 2010
COMPLEX REGIONAAL PIJNSYNDROOM TYPE I (POSTTRAUMATISCHE DYSTROFIE) VERDER ONTRAFELT
Het Complex Regionaal Pijnsyndroom type I (CRPS I) is een ernstig invaliderende ziekte. Voor dit ziektebeeld worden verschillende benamingen gebruikt, zoals Sudeck-dystrofie, sympathische reflexdystrofie en posttraumatische dystrofie. Ik heb aangetoond dat CRPS I bij kinderen ten dele anders verloopt dan bij volwassenen. Hierdoor wordt CRPS I bij kinderen vaak niet tijdig herkend. Ook blijkt, in tegenstelling tot wat algemeen wordt aangenomen, dat de prognose van kinderen met CRPS I niet beter is dan volwassenen CRPS I patiënten.
De klachten waarmee patiënten met CRPS I zich presenteren, zijn algemeen bekend, maar het onderliggende ziektemechanisme van met name de chronische pijn blijft onopgehelderd. Ik heb diverse klinische en (dier)experimentele studies verricht om dit mechanisme op te helderen. Zo blijken witte bloedcellen een belangrijke rol te spelen bij dit ziektebeeld, en ook bestaan er steeds meer aanwijzingen dat er sprake is van een verstoring in de zuurstofstofwisseling in het aangedane ledemaat op het niveau van de energie centrale van de cel.
Edward Tan, militair chirurg-traumatoloog, MMT-arts, Lifeliner-3
Clinical and Fundamental Aspects of Complex Regional Pain Syndrome Type I
dinsdag 8 juni 2010, 15.30 uur, Aula RU Nijmegen
WOENSDAG 4 NOVEMBER 2009
HERSTEL NA LICHT TRAUMATISCH SCHEDELHERSENLETSEL: EEN NEURO-PSYCHOLOGISCH PERSPECTIEF
In 80-90% van de patiënten die een traumatisch schedelhersenletsel oplopen is de ernst van het letsel relatief licht. Hoewel de meeste mensen spontaan, snel en volledig herstellen, leidt dit ogenschijnlijk onschuldige hoofdletsel in een minderheid tot langdurige klachten. Medische diagnostiek biedt meestal onvoldoende verklaring voor de klachten en buitenstaanders concluderen vaak al snel dat de klachten ‘dus’ psychisch zijn. Welke factoren dragen bij aan het herstel na een Licht Traumatisch Schedelhersenletsel (LTSH)? Om hierop antwoord te geven, onderzocht psycholoog Maja Stulemeijer een grote groep patiënten aan de hand van vragenlijsten, neuropsychologisch onderzoek en geavanceerde beeldvorming van de hersenen. Stulemeijers onderzoek toont dat, om te begrijpen hoe iemand herstelt, er meer kennis over de persoon nodig is dan alleen de medische aspecten van het hoofdletsel. Zo blijken de emotionele impact van het ongeval, letsel aan andere lichaamsdelen, en factoren als opleidingsniveau en persoonlijkheid van groot belang voor het herstelproces. Op basis van de bevindingen is o.a. een scorekaartje ontwikkeld wat de neuroloog kan helpen om kort na het ongeval te voorspellen hoe groot de kans is dat iemand na zes maanden goed is hersteld.
Maja Stulemeijer maja.stulemeijer@live.nl
Recovery after Mild Traumatic Brain Injury: An integrative approach on understanding complaints, performance and functional outcome.
Zie http://webdoc.ubn.ru.nl/mono/s/stulemeijer_m/recoafmit.pdf
Het onderzoek maakt deel uit van de Radboud University Brain Injury Cohort Study (RUBICS). RUBICS heeft o.a. een database ontwikkeld waarin klinische, radiologische en uitkomstgegevens worden verzameld van alle patiënten die met traumatisch hersenletsel zijn opgenomen op de spoedeisendehulp van het UMC St. Radboud.
WOENSDAG 9 SEPTEMBER 2009
DE IRONIE VAN KUNSTMATIGE BEADEMING
Kunstmatige beademing kan levensreddend zijn voor ernstig zieke of gewonde patiënten. Maar ondanks dat zijn er ook nadelige neveneffecten. Kunstmatige beademing kan namelijk longschade bij ernstig zieke patiënten verergeren, en tevens schade in gezonde longen laten ontstaan. Dit wordt beademingsgerelateerde longschade genoemd. De meest ernstige vorm hiervan is ‘acute respiratory distress syndrome’. 30 to 40 procent van de patiënten met dit syndroom overlijdt.
Michiel Vaneker deed onderzoek naar beademingsgerelateerde longschade. Dit leverde belangrijke bevindingen op over de onderliggende mechanismen hiervan. Zo blijkt de Toll-like 4-receptor een belangrijke rol te spelen bij longschade door kunstmatige beademing.
Door meer inzicht te krijgen, kunnen in de toekomst de nadelige effecten van kunstmatige beademing mogelijk beperkt dan wel voorkomen worden, zodat er minder patiënten overlijden aan ‘acute respiratory distress syndrome’.
Michiel Vaneker M.Vaneker@anes.umcn.nl
Ventilator Induced Lung Injury, pathophysiology of mechanotransduction and therapeutic strategies.
woensdag 9 september, 10.30 uur, Aula RU Nijmegen
WOENSDAG 16 EN WOENSDAG 30 SEPTEMBER 2009
DE ZIN VAN CT NA EEN BOTSING OF VAL
De spoedeisende hulp van het UMC St Radboud beschikt al enkele jaren over een Computed Tomography (CT) scanner. Deze scanner maakt het mogelijk om door middel van röntgenstraling twee- en drie- dimensionale beelden te maken van alle weefsels die na een ongeval beschadigd zouden kunnen zijn. Letsels van het hoofd, fracturen, longletsels, beschadigingen aan lever, milt en vaten: de CT-scanner is in staat om deze accuraat in beeld te brengen. En dat binnen enkele seconden! Om deze reden ondergaan slachtoffers van ongevallen steeds vaker een “total body scan” van hoofd, nek, borst, buik en, als dat nodig is, van armen en benen.
Dat CT een zinnige techniek is voor het aantonen van letsels van hoofd en nek, daar is men het in de traumawereld wel over eens. Voor CT-scans van de borst en buik is dit echter veel minder duidelijk. Daarnaast kent een CT nadelen: blootstelling aan röntgenstraling geeft een kleine, maar niet verwaarloosbare kans op kanker en het voorbereiden en beoordelen van een CT kost tijd en geld. Als een CT zinnig is, wegen deze nadelen niet op tegen de voordelen.
Maar wanneer heeft een CT zin? En zouden we die nadelen kunnen verminderen? In september promoveren Monique Brink en Jaap Deunk op dit onderwerp. In samenwerking met de afdelingen Radiologie en Chirurgie van het UMC St Radboud onderzochten zij het gebruik van CT van borst en buik bij slachtoffers van ernstige ongevallen.Zij brachten in kaart hoe vaak een CT-scan leidt tot aanpassingen in de behandeling van patiënten, ook bij laagdrempelig gebruik bij praktisch ieder slachtoffer van een hoog-energetisch ongeval (een botsing met hoge snelheid of een val van grote hoogte). Op basis van CT uitkomsten bij meer dan 1000 patiënten ontwierpen zij criteria voor het maken van CT-scans die tot meer gericht gebruik van CT zouden moeten leiden. En zij bekeken hoe schadelijke röntgenstraling verminderd kan worden als er toch een scan gemaakt wordt.
Nieuwsgierig? De promoties vinden plaats in de aula van de Radboud Universiteit Nijmegen en zijn vrij toegankelijk voor geïnteresseerden.
Monique Brink M.Brink@rad.umcn.nl
The Clinical Efficacy of Chest Computed Tomography in Blunt Trauma Patients.
woensdag 16 september, 13.30 uur, Aula RU Nijmegen
Jaap Deunk jaapdeunk@yahoo.com
Computed Tomography in Blunt trauma. Towards a more efficient use.
woensdag 30 september, 15.30 uur, Aula RU Nijmegen
MAANDAG 8 DECEMBER 2008
Retentie van vaardigheden in eerste hulp en reantimatie
Pim de Ruijter schreef bovengenoemd stageverslag naar aanleiding van zijn onderzoeksstage onder begeleiding van chirurgen/traumatologen Edward Tan en Jan Biert in het kader de doctoraalfase van de studie geneeskunde.
Aanleiding
Van (toekomstige) artsen wordt verwacht dat zij bekwaam, bevoegd en competent zijn in
elementaire eerste hulpverlening en basale reanimatie. Sinds de invoering van de Bachelor-
Master structuur (BaMa) in 2005 is er een verplichte EHBO cursus (blok Vaardigheden
Acute Geneeskunde / EHBO) voor alle eerstejaars studenten geneeskunde aan het UMC St
Radboud.
Doel van het onderzoek is het bepalen van retentie van kennis (na 1 jaar) en toepassing van kunde aangeleerd in het blok Vaardigheden Acute Geneeskunde/EHBO (VAG/EHBO).
Nadere informatie vindt u onder downloads.
DONDERDAG 3 JULI 2008
Werking
onderzoek Acute Zorgregio Oost
en
HAN
Het was vooral afwezigheid van substantiële
onderzoeksresultaten over de samenhang
binnen de acute zorg en de ambitie
van AZO een wetenschappelijke basis te
gaan zoeken,
Dit hebben we vervat is het onderzoeksprogramma
: “Zorg voor het Acute 2008-2010" van
de Acute Zorgregio Oost. Hiermee hopen
we met onze partners te komen tot aantoonbare
kwaliteit en het meten van de daadwerkelijke
effecten van doorgevoerde veranderingen.
De doelstelling is dus tweeledig. onderzoek
over de volle breedte van de acute zorg
om wetenschappelijke onderbouwing te verkrijgen én
het dichter bij elkaar brengen van de betrokken
zorgpartijen. Zo zijn naast de HAN ook
AZN (Ambulancezorg Nederland), IQ Healthcare
(voormalig WOK van UMC St Radboud), en
uiteraard ook de GHOR betrokken.
Ook het gegeven dat er op verpleegkundig
vlak nog veel onderzoek te doen is maakte
dat wij de reeds bestaande samenwerking
met de HAN nog verder wilde verstevigen
en ook concrete inhoud wilden geven.
Voor zover wij weten is dit het eerste
onderzoeksprogramma dat zich uitsluitend
focust op het “koppelvlak” tussen
de eerste en de tweede lijn als ook de “interface” tussen
de verschillende partijen onderling. Monodisciplinair
onderzoek binnen één van
de kolommen van de zorgpartijen valt dus
buiten de scope.
In nauwe samenspraak met het programma
Spoedzorg van ZonMw zal een en ander nader
vorm worden gegeven en elkaar versterken.
Meer info: klik hier voor de gemeenschappelijke visie.



